T

 

Temperatuur 

De temperatuur van de omgeving oefent invloed uit op de toonhoogte van een klok. In de winter klinkt een klok iets hoger dan in de zomer, aangezien ze door de lagere temperatuur ietwat krimpt. Het toonverschil is echter zeer gering. Bovendien verandert de inwendige stemming van de klok niet en gelukkig blijft ook de onderlinge stemming van de klokken van een beiaard ongewijzigd door temperatuursveranderingen.  

De temperatuur heeft echter wel een merkbare invloed op de lengte van de draden die de klepels van beiaardklokken verbinden met de toetsen van het stokkenklavier. Bij warme temperaturen gaat de klepelbol verder van de klok hangen, zodat een zachte aanslag geen contact met de klok en dus ook geen klank teweegbrengt. Bij koude temperaturen gaat de klepelbol te dicht bij de klok hangen, zodat hij bij aanslag aan de wand blijft “plakken” en de klok verhindert uit te klinken. Om de beiaardier toe te laten om bij elke temperatuur de ideale afstand tussen klok en klepel te realiseren, zijn boven het klavier draadregelaars aangebracht. In principe dient een beiaardier voor elk concert de lengte van alle draden bij te regelen. Dit is buiten hoorbaar door zachte aanslagen op de klokken. Daarom zeggen luisteraars wel eens verkeerdelijk dat de beiaardier “zijn klokken aan het stemmen is”.  

 

Terts 

De terts is een tooninterval dat bij de klok erg belangrijk is. Bij klanken, voortgebracht door de meeste muziekinstrumenten, is de terts de vierde boventoon en is zij een grote terts (dus een interval van twee hele tonen). Bij klokken is de terts de tweede boventoon en is zij een kleine terts (dus een interval van anderhalve toon). De kleine terts-toon is een van de belangrijkste kenmerken waarin de klok zich van de meeste muziekinstrumenten onderscheidt. In 1985 ontwikkelde de Nederlandse klokkengieterij Koninklijke Eijsbouts de zogenaamde grote-tertsklok. De grote terts-partiaal werd hier verwezenlijkt door een bult in de flank van de klok, wat haar al snel de bijnaam gaf van “Coca-colaklok”. Vooral in beiaardierskringen werd de grote-tertsklok op afkeuring onthaald. Intussen werd ook de grote-tertsklok geperfectioneerd, zodat ze qua uitzicht en qua timbre meer lijkt op de klassieke klok. Ondanks deze innovaties heeft ze de klassieke klok niet kunnen vervangen.  

 

Toonzuiverheid 

De toonzuiverheid van een klok wordt bepaald door de onderlinge ordening van de belangrijkste partialen of deeltonen van de klok. Na het gieten wordt een klok gestemd totdat minstens de volgende deeltonen juist liggen ten opzichte van elkaar : grondtoon, prime, kleine terts, kwint, octaaf. Deze ordening noemt men de inwendige stemming van de klok. Indien dat niet het geval is, klinkt de klok vals “in zichzelf”.  

Vooral bij beiaardklokken ook de uitwendige stemming van belang. Dat is de verhouding tussen de toonhoogte van de verschillende klokken ten opzichte van elkaar.  

De wenselijkheid van een perfecte toonzuiverheid bij klokken en beiaarden is een van de levendigste discussiepunten in beiaardkringen. Daar waar men in de jaren ’70 en ’80 streefde naar absolute zuiverheid bij het stemmen en herstemmen van klokken, werd nadien een tendens zichtbaar naar meer tolerantie op dat vlak, zeker bij restauraties van historische instrumenten. Men gaat er hierbij van uit dat exact zuivere beiaarden de neiging vertonen monotoon of “klinisch” te klinken, terwijl lichte onzuiverheden aan klokken en beiaarden een warme klankkleur en een zekere charme verlenen.  

 

 

Tractuur 

Al wat tussen toetsen en klokken hangt wordt tractuur genoemd. Er bestaan twee grote systemen, : het broeksysteem, dat momenteel in onbruik is geraakt en het tuimelaarsysteem.  Het afregelen van de tractuur is een belangrijk onderdeel van de constructie van een nieuwe beiaard. Variabelen zijn onder meer de lengte van de dragen, de lengte van de tuimelaars, de afstelling van de veren aan de klepels, de afstelling van eventuele veren aan de klaviertoetsen en de stabiliteit van alle onderdelen.  

Bij het restaureren van beiaarden is de restauratie van de tractuur een moeilijk punt, aangezien er nauwelijks restanten van historische tracturen zijn overgebleven.  Bij de restauratie van klokken en klavieren heeft men meer houvast, gezien het nog voorhanden zijnde historisch materiaal.  

 

Transpositie 

Een transponerend instrument geeft muziek weer op een andere toonhoogte dan de geschreven noten. De meest gebruikte klarinet transponeert bijvoorbeeld naar  bes (si mol), aangezien een c (do) op de klarinet klinkt als bes. De meeste beiaarden transponeren ook. De zwaarste beiaarden klinken in g (sol), wat ongeveer overeenkomt met een totaal klokgewicht van 40 ton (rekening houdend met 49  klokken). Een middelzware beiaard in c (do, dus niet transponerend) weegt ongeveer 17 ton en een erg lichte beiaard in c (do, maar een octaaf hoger dan de vorige) weegt ongeveer 2 ton. Als vuistregel kan men stellen dat een beiaard die een grote terts lager klinkt dan een andere, ongeveer dubbel zo zwaar is als deze laatste. Voor het bespelen speelt het al dan niet transponerend zijn van een beiaard geen rol, aangezien alle beiaarden zijn aangesloten op een klavier dat start op bes (of eventueel c). Anderzijds vergt een zware beiaard een andere aanpak dan een licht instrument. In het algemeen neemt men aan dat een zware beiaard meer muzikale mogelijkheden biedt dan een licht instrument door de langere uitklinktijd van de klokken en de ruimere nuanceringsmogelijkheden.  

De beslissing over de zwaarte van een nieuwe beiaard wordt bepaald door vijf factoren : de financiële draagkracht en de muzikale smaak van de koper, de sterkte van de toren, de grootte van de klokkenkamer en zijn hoogte ten opzichte van het grondniveau .  

 

Tremolospel 

Tremolospel is het snel afwisselend herhalen van twee of meer noten met de bedoeling om lange melodienoten expressief te kunnen spelen. Aangezien een beiaardier de uitklinktijd van de klokken niet of nauwelijks kan beïnvloeden, ondervindt hij vaak problemen om melodieën met lange noten te fraseren. Op het einde van de 19de eeuw ontwikkelde Jef Denyn de tremolotechniek om aan dat euvel te verhelpen. De tremolotechniek was een ideaal uitvoeringsmiddel voor de romantische muziek van zijn tijd en bovendien een middel om de schrale, kortademige klank van de hoge klokken van d meeste beiaarden van die tijd “op te fleuren”. Vanuit muzikaal oogpunt kan het tremolo op de beiaard vergeleken worden met het vibrato van een strijkinstrument en het tremolospel van de mandoline, de gitaar of de Hongaarse cimbalom.  

De “gebonden zang”, zoals Jef Denyn het tremolospel noemde, werd het handelsmerk van de  beiaardiers die in Mechelen hun opleiding kregen. De Nederlandse beiaardiers zetten zich aanvankelijk sterk af tegen de “Bourgondische” tremolostijl van hun zuiderse collega’s, die volgens hen afbreuk deed aan de eigenheid van de klokkenklank. 

Momenteel groeien beide opvattingen meer naar elkaar toe. Door de langere uitklinktijd van moderne  beiaardklokken wordt het fraseren van lange noten gemakkelijker, zodat het tremolospel de laatste jaren minder frequent wordt toegepast.    


De horizontale streepjes boven de noten 
verwijzen naar
de tremolotechniek 
(uit het preludium in Bes van Jef Denyn
)

 

Trillingsfiguren 

Een klokkenklank bestaat uit verschillende deeltonen of partialen. Dit betekent dat een klok tezelfdertijd trilt met verschillende snelheden. De visuele patronen waarin de klok trilt noemt men trillingsfiguren.  

 

Tuimelaarsysteem 

Het tuimelaarsysteem is een tractuursysteem waarbij een verticale klavierdraad via een hefboom met twee armen wordt verlengd naar een horizontale draad die met de klepel in verbinding staat.  

Het tuimelaarsysteem is waarschijnlijk reeds enkele eeuwen oud, maar werd vervolmaakt en gepropageerd door Jef Denyn rond 1890. Die gebruikte de tractuur van de Mechelse stadsbeiaard als standaard voor de bouw van alle beiaarden waarvoor hij advies gaf. Het tuimelaarsysteem leidde tot een betere controle over de klepel en een grotere virtuositeit dan het zogenaamde broeksysteem, dat voornamelijk in Nederland in gebruikelijk was. Na een hevige controverse, die bekend werd onder de naam “broekse en tuimelaarse twisten”, drong het tuimelaarsysteem na de Eerste Wereldoorlog ook in Nederland door. De controverse in kwestie stond ook in nauw verband met die over de tremolotechniek, die enkel uit te voeren is op een tuimelaarsysteem. Momenteel is het tuimelaarstelsel het algemeen voorkomend tractuursysteem. Het kent twee varianten : het systeem met tuimelaarassen, waarbij de klokken in rijen moeten hangen (“Mechels stelsel”) en het systeem met gerichte tuimelaars, waarbij de plaatsing van de klokken aan minder beperkingen onderworpen is.  

             
Tuimelaarassen                                                                               Gerichte tuimelaars

 

Tuimelklepel 

De tuimelklepel is een variant van het tuimelaarsysteem. Hierbij eindigt de verticale tuimelaararm in een bol en dient hij dus meteen als klepel. De klepeldraad valt in dit systeem weg, zodat de beiaard compacter kan  geconstrueerd worden en de klepel niet meer kan slingeren. De tuimelklepel is enkel bruikbaar voor kleinere klokken, aangezien de klepels van grotere klokken te zwaar zijn voor dit systeem. De tuimelklepel werd vooral in de jaren zestig van de vorige eeuw vaak toegepast onder de naam “easy-systeem”. Het grote nadeel van de tuimelklepel is het feit dat de weerstand van de klepel vermindert naarmate de klaviertoets dieper wordt ingedrukt. Hierdoor verliest de beiaardier controle over de klepel naarmate die de klok nadert.  
Tuimelklepels in de stadsbeiaard van Mol