S

 

Scheur 

Door intens of verkeerd gebruik kan een klok scheuren. Dat gebeurt normaal gezien niet tijdens het beiaardspel, maar wel tijdens het luiden. Meestal is een scheur “dodelijk” voor de klank van de klok, zodat ze moet vervangen worden. In het verleden werd de gescheurde klok meestal hergoten tot een nieuwe klok. Sinds enkele decennia blijven gescheurde historische klokken gelukkig vaak gespaard van de smeltkroes. Momenteel is het mogelijk gebarsten klokken te herstellen door middel van speciale opwarmings- en lastechnieken.  

Sierringen 

Op de meeste klokken bevinden zich boven de slagring horizontale sierringen. Bij de vroegste westerse klokken werden die in de valse klok gekerfd en waren ze op de definitieve klok zichtbaar als groeven in het brons. Vanaf de 12de eeuw werden de sierringen gevormd door was- of hennepkoorden aan te brengen op de valse klok. Dat gaf de sierringen een onregelmatig uitzicht. Vanaf de 14de eeuw wordt de valse klok gevormd door middel van een sjabloon. De sierringen worden dan verkregen door een inkeping in de sjabloon die de buitenzijde van de valse klok haar vorm moest geven. Vanaf dan vinden we perfect regelmatige sierringen op de klokken. Het uitzicht van de sierringen van een klok is dus een vrij betrouwbaar middel om vroege klokken te dateren. 

 

Sjabloon 

Tot in de 14de eeuw werd de valse klok, die de vorm van de latere te gieten klok bepaalde, gevormd “aan het spit”. De klokkengieter vormde op een horizontaal draaiende spil met de hand of met een beitel een valse klok van was of (later) van leem. 

Rond de 14de eeuw werd het vormen met een sjabloon ingevoerd. Dat had als belangrijk voordeel dat perfect symmetrische klokken konden gevormd worden en dat een gieter een klok vaker kon reproduceren. Aangezien de valse klok een binnen- en een  buitenzijde heeft, wordt elke klok gevormd door middel van twee sjablonen, een binnensjabloon en een buitensjabloon.  

Waarschijnlijk is het werken met sjablonen ontleend aan de geschutgieterij. Een kanon met een symmetrische loop schoot immers juister !    
Valse klok met buitensjabloon 
(klokkenmuseum Pfundner, Wenen)

 

Slagtoon 

Net als bij andere muziekinstrumenten bestaat de klank van een klok uit een groot aantal deeltonen of partialen (zie “Boventonen”). Deze deeltonen zijn alle terug te vinden in trillingspatronen van de klok. Maar hiernaast bezit de klokkenklank ook nog de zogenaamde “slagtoon”. Dat is een korte metaalachtige toon die de melodiehoogte van de klok bepaalt en daarom ook wel “melodietoon” wordt genoemd. De slagtoon is geen fysisch verschijnsel, want hij wordt niet teruggevonden in de kenmerken van de klok. Hij wordt gevormd in het gehoor en is dus een fysiologisch gegeven. De slagtoon is wellicht de resultante van het samenspel van verschillende deeltonen van de klok, maar een onomstotelijke verklaring van het fenomeen is tot nu toe niet gevonden. Wel staat vast de slagtoon exact een octaaf lager ligt dan de boventoon “octaaf”. Bij goed gestemde klokken ligt hij dus een octaaf boven de grondtoon en valt hij samen met de priem.  

 

Speeltrommel 

Tot ver in de 20ste eeuw werd het automatisch speelwerk aangedreven door ijzeren pinnen die in het oppervlak van een metalen trommel werden gestoken, vanwaar de naam “trommelspeelwerk”. 

De trommel werd gegoten uit koper, messing of ijzer. De energie die nodig was om de trommel te doen draaien, werd geleverd door een gewicht dat via een kabel met de trommel verbonden was. Onze voorouders gebruikten hiervoor wel eens een buiten gebruik gesteld kanon of dito molensteen. Het oppervlak van de trommel was voorzien van evenwijdige rijen gaten, waarin de pinnen werden gestoken. 
18de-eeuwse zogenaamde “springtrommel” van 
Gilles De Beefve (Hasselt, Sint-Quintinuskathedraal)

De speeltrommels van onze beiaarden behoren tot de oudste voorbeelden van mechanische muziekinstrumenten en het “versteken” ervan was een soort digitale programmatie avant-la-lettre. 

In de 17de en 18de eeuw werden de trommels meermaals per jaar verstoken. De weinige trommels die nu nog in werking zijn, worden meestal om het jaar om de twee jaar verstoken, vaak in de Goede Week, wanneer de klokken toch uithuizig zijn. In ons land draaien nog de speeltrommels van Antwerpen, Brugge, Gent, Leuven Sint-Pieter, Lier, Sint-Truiden, Tienen en Tongeren. In de andere beiaardtorens zijn de trommels vervangen door band- of computerspeelwerken.  

Enkele klokkengieters, zoals Pieter Hemony, Willem Witlockx en Alexis Jullien, goten ook speeltrommels.  

 

Stemmen 

Nadat een klok gegoten is, dient ze gestemd te worden. Hiertoe wordt de klok op een draaibank geplaatst, waarna tijdens het ronddraaien brons wordt weggevijld. Meestal worden minstens de laagste vijf  partialen of deeltonen van een klok ten opzichte van elkaar afgestemd (grondtoon – priem – kleine terts – kwint – octaaf). Het stemmen van een klok gebeurt op verschillende hoogtes in de binnenwand van de klok. Op de meeste plaatsen veroorzaakt het wegvijlen van brons een toonverlaging. De bereikte toonhoogtes worden elektronisch gemeten. 

Een van de grote moeilijkheden bij het stemmen is het feit dat het bijstemmen van een partiaal ook gevolgen heeft voor de toonhoogte van een aantal andere partialen. Het op elkaar afstemmen van de laagste vijf partialen is dus een spel van geven en nemen, dat in het verleden slechts door enkele klokkengieters is beheerst.    

Stemsporen in een klok 
van de Leuvense stadsbeiaard

Eens een klok correct gestemd is, behoudt ze haar toonhoogte “voor eeuwig”, tenminste als haar wand niet wordt aangetast door luchtverontreiniging.  

De eersten die de wetenschap verstonden om klokken perfect te stemmen, waren de gebroeders Hemony (Zutphen, ca. 1645). Zij werden hierin geadviseerd door de blinde musicus en muziektheoreticus Jacob Van Eyck, die stadsbeiaardier was van Utrecht. Met name in de romantiek werd het stemmen van klokken soms beschouwd als een aanslag op de integriteit van de klok. Omwille van het muzikaal karakter en het samenspel van een groter aantal klokken dient het stemmen van beiaardklokken nauwkeuriger te gebeuren dan het stemmen van luiklokken.  

De jongste jaren zijn de opvattingen in verband met het stemmen van beiaardklokken geëvolueerd. In sommige gevallen worden nu lichte afwijkingen van bepaalde boventonen toegelaten, aangezien die een specifieke “kleur” geven aan de beiaard.  

 

Stemming 

In tegenstelling tot bijvoorbeeld de viool beschikt de beiaard over klankdragers met een vaste toonhoogte. Anders gesteld : niet de bespeler, maar de instrumentenbouwer bepaalt de stemming van het instrument.  

Pas vanaf de gebroeders Hemony (1645) kan men in beiaardklokken een herkenbare stemming ontdekken. Barokbeiaarden zij gestemd in de zogenaamde middentoonstemming, die zelf een aanpassing is van de “reine stemming”. De toepassing van de middentoonstemming hield in dat de gieter  bij het stemmen van zijn klokken voor de wijzigingstekens een keuze moest maken tussen bv. si mol (bes) en la kruis (ais), aangezien die twee tonen in de middentoonstemming niet exact samenvallen. In de praktijk werd voor de chromatische tonen steeds gekozen voor cis, es, fis, gis en bes, zodat muziek die de tonen des, dis, ges, as en ais bevat, “vals” klinkt. In de middentoonstemming moeten een aantal toonaarden dus vermeden worden.  

Sinds de 20ste eeuw staan beiaarden in de zogenaamde evenredige stemming, die beiaardspel in alle toonaarden mogelijk maakt. Af en toe worden nog beiaarden gegoten in afwijkende stemmingen. De beiaard van Nieuwpoort (1954) is gegoten in de zogenaamde Pythagoreïsche stemming. Hier heeft men getracht het dilemma van de middentoonstemming op te lossen door voor elke chromatische toon twee klokken te voorzien. Het handklavier van die beiaard bestaat dan ook uit drie rijen : een voor de diatonische tonen en twee voor de chromatische tonen.  

Stift 

Een stift (pen, nootje) is een ijzeren pen die in een speeltrommel wordt gestoken. Bij het ronddraaien duwt de stift een hefboom omhoog, waardoor een hamer wordt opgetild. Zodra de hefboom weer neerkomt valt de  hamer op de klok en ontstaat de klank. Het patroon van stiften op een speeltrommel bepaalt de muzikale inhoud van de automatische beiaardmuziek.  
Een beiaardier beschikt over verschillende soorten stiften, zodat de afstand tussen twee trommelgaten (ook “trommelmaat”genoemd) via een fijne onderverdeling wordt overbrugd. Sommige automatische speelwerken beschikken over pinnen die ook triolenspel mogelijk maken. Ook bestaan zogenaamde combinatienootjes (brugjes met twee pinnen).    
Stiften op de trommel van de Tiense stadsbeiaard

 

Stormklok 

De stormklok is de klok die de weerbare burgers in een stad tot de wapens riep. De term verwijst dus niet naar het luiden tegen de storm (dit was het zogenaamde (on)weerluiden). 

De stormklok die in Vlaanderen het meest tot de verbeelding sprak is Gentse Klokke Roeland, waarvan het opschrift duidelijk verwijst naar de functie van de stormklok : “Als ik kleppe is het brand, als ik luide is ’t storm in Vlaanderland”. 



Het luiden van de stormklok op “De triomf van de dood” van Pieter  Bruegel de Oude   

 

Suikerbroodmodel 

Synoniem voor punthoedmodel (zie aldaar).