K

 

Klankkleur 

De klank van een klok wordt bepaald door drie facetten : toonhoogte, toonzuiverheid en klankkleur.  

De toonhoogte wordt bepaald door de onderdiameter van de klok en de globale wanddikte.  

De toonzuiverheid wordt bepaald door het profiel van de klok en de relatieve dikte op de verschillende plaatsen in de klokwand.  

De klankkleur bestaat onder andere uit de uitklinktijd en de relatieve sterkte van de boventonen ten opzichte van elkaar. Dit alles wordt beďnvloed door de samenstelling van het brons, het klokprofiel, de gladheid van de wand, de aard van de klepel, de eigenschappen van de klokkenkamer, de hoogte van de klok, de kenmerken van de luisteromgeving enz.  

Hoewel de begrippen toonzuiverheid en klankkleur elkaar wel eens overlappen of beďnvloeden, is het toch nuttig een onderscheid te maken. Het is immers best mogelijk dat een beiaard perfect gestemd is, maar geen aangename klankkleur heeft, terwijl een instrument met lichte toonafwijkingen juist wél aangenaam klinkt.  

 

Klavier 

De beiaard wordt bespeeld door middel van een stokkenklavier. Het stokkenklavier ontstond wellicht in Vlaanderen of Brabant rond het einde van de 15de eeuw. De oudste archivalische vermelding tot nu toe dateert van 1510 en spreekt van een klavier dat verbonden was aan een voorslag van 9 klokken. Hoewel in de loop van de daaropvolgende eeuwen  belangrijke verbeteringen werden aangebracht aan het verbindingssysteem tussen klavier en klepels, is het principe van het stokkenklavier al die tijd ongewijzigd gebleven. Met de toename van het aantal klokken per beiaard werden uiteraard ook de klavieren omvangrijker. Bij een standaardbeiaard van 49 klokken kunnen in principe alle klokken bespeeld worden met het manuaal en de 20 grootste klokken ook met het pedaal. Momenteel groeit ook het aantal beiaarden van meer dan vier octaven. De klavieren deze beiaarden lenen zich ook uitstekend voor quatre-mainsspel.  

De eerste ernstige poging om tot een standaardisatie van klaviermaten te komen werd ondernomen door Jef Denyn in het begin van de 20ste eeuw. Op het beiaardcongres te ’s-Hertogenbosch in 1925 stelde hij voor de maten van het klavier van de Mechelse Sint-Romboutsbeiaard als standaard te aanvaarden.

Ondanks de vrij gedrongen maten van dit klavier – aangepast aan Denyns kleine gestalte - werd dit klavier enkele decennia gebruikt als Europese standaard (Mechelse maten of Denynstandaard).    
De Mechelse 
standaardmaten

In 1983 werd te Leuven naar aanleiding van de vernieuwing van de universiteitsbeiaard een overeenkomst getekend door de Beiaardwereldfederatie met betrekking tot een Europese standaard voor  beiaardklavieren. In nieuwbouwprojecten wordt de jongste jaren echter opnieuw geëxperimenteerd met alternatieve klaviermaten.  

In Noord-Amerika ontstond onder invloed van de  orgelbouw een standaard die sterk afwijkt van de Europese. De belangrijkste verschilpunten ten opzichte van de Europese klavieren zijn een kleinere toetsdiepgang, een grotere afstand tussen de toetsen onderling, de positie van de uiterste pedaaltoetsen, die gemakkelijker bereikbaar zijn, en de positie van het pedaal ten opzichte van het manuaal. In het algemeen wordt de Amerikaanse standaard als ergonomischer ervaren dan de Europese. De Amerikaanse beiaardontwerper Richard Strauss heeft in 2000 een combinatiestandaard ontwikkeld die op termijn zou kunnen uitgroeien tot een wereldstandaard. 
Amerikaans klavier in ... Berlijn

Hoewel het stokkenklavier visueel een wat primitieve en ambachtelijke indruk geeft, is het nog steeds het meest adequate middel om op een muzikale en virtuoze manier met  beiaardklokken om te gaan. Vanaf het einde van de 19de eeuw werden talrijke experimenten uitgevoerd met elektrische, pneumatische en mechanische “pianoklavieren”. Tot nu toe heeft geen van deze pogingen een muzikaal verantwoord resultaat opgeleverd.  

Het belangrijkste argument tegen een elektrisch pianoklavier is het feit dat een elektrische overbrenging ongeschikt is om sterkteverschillen te produceren en dus genuanceerd en expressief beiaardspel mogelijk te maken. Maar zeker zo belangrijk is het feit dat typische speltechnieken die op klokken goed klinken, zoals tremolospel en sommige types snel passagespel, moeilijker uitvoerbaar zijn op een pianoklavier dan op een stokkenklavier. Veel van de bestaande beiaardliteratuur kan technisch zelfs niet uitgevoerd worden op een pianoklavier. Omgekeerd zou het “comfort” van pianoklavier de bespeler verleiden tot het spelen van muziek die op klokken geen bevredigend resultaat geeft (dikke akkoorden, snel passagespel in de basklokken e.d.). Toeval of niet, maar de technische mogelijkheden en beperkingen van het stokkenklavier dienen dus het muzikaal genoegen van de luisteraar.    

Klepel 

De klepel is het stuk materiaal dat de klok tot trilling brengt. Meestal wordt een klepel gebruikt voor het luiden van klokken en voor het beiaardspel, terwijl hamers worden gebruikt voor het automatisch speelwerk en de uurslag. Meestal bestaan een klepel uit ijzer of uit een soort brons (mangaanmessing). Men dient er steeds op te letten dat de klepel uit een zwakker metaal is dan de klok om te vermijden dat de klok door het voortdurend gebruik zou afsluiten. Klepel waarvan de bol door het veelvuldig gebruik vlak wordt, moeten omgedraaid, herslepen of vervangen worden. 

De plaats waar de klepel de klok raakt, dient door de klokkengieter exact bepaald te worden. In principe is dit de slagring, het dikste gedeelte van de klokwand. Een klepel wordt gewoonlijk opgehangen in het midden van de kop van de klok Bij het beiaardspel wordt de klepelbol door een draad op een afstand van slechts enkele centimeters van de klokwand gehouden. Bij zware beiaardklokken worden de klepels soms excentrisch, dus buiten het centrum van de kop van de klok, opgehangen. Hierdoor nemen ze in rust een verticaler positie in, waardoor ze als het ware “lichter” worden voor de bespeler (zie ook contacttijd).  

 

Kleppen 

Het kleppen is een techniek waarbij de klepel door middel van een touw tegen de wand van een klok wordt getrokken. Hiermee wordt een onrustig geluid voortgebracht. Het kleppen werd in onze streken onder meer gebruikt als waarschuwingssignaal voor brand of als teken van rouw. Het kleppen bij feestelijke gelegenheden, waarbij dan ook meestal meerdere klokken worden gebruikt, wordt beieren genoemd (zie aldaar). Dit beieren is een van de speelvormen waaruit rond 1500 het beiaardklavier is ontstaan.  

 

Klok 

Een klok is een rond, schaalvorming omwentelingslichaam, dat volgens een bepaald model uit klokkenbrons wordt gegoten en bedoeld is om een muzikale klank voort te brengen (A. Lehr, Campanologie, Mechelen/Asten, 1996, p. 5).  

Het woord zelf stamt uit het Keltisch en is via Engeland waarschijnlijk door Angelsaksische missionarissen naar het Europese vasteland. Voor meer informatie over klokken verwijzen wij naar andere trefwoorden van dit lexicon.  

 

Klokkenkamer 

De muzikale betekenis van de ruimte waarin de klokken zich bevinden kan men vergelijken met lichaam van een strijkinstrument of de klankbodem van een piano. De kenmerken van de klokkenkamer oefent namelijk een belangrijke invloed uit op de klankkwaliteit van een beiaard. Voor meer details kan u terecht bij de trefwoorden akoestiek en echowerking.  

 

Klokkenspel 

In Nederland wordt een beiaard wel eens klokkenspel genoemd. De term wordt ook gebruikt voor andere muziekinstrumenten die een klokkenklank produceren, zoals het buisklokkenspel in het klassieke orkest.  

En natuurlijk komt de term ook voor in allerlei overdrachtelijke betekenissen. Hiervoor verwijzen wij naar websites die enkel voor volwassen surfers zijn bestemd.  

 

Klokkenstoel 

Het geraamte waarin klokken worden opgehangen heeft klokkenstoel (Frans : beffroi). Traditioneel zijn klokkenstoelen vervaardigd uit eikenhout. Tegenwoordig worden ook metalen klokkenstoelen vervaardigd. Bij deze laatste wordt isolatiemateriaal aangebracht tussen klokken en klokkenstoel. Indien dit niet gebeurt bestaat de kans dat de klokkenstoel met de klok mee vibreert en zodoende hinderlijke bijgeluiden produceert. Een klokkenstoel moet niet alleen stevig zijn : hij moet ook voldoende flexibiliteit bezitten om de zijdelingse krachten op te vangen die worden uitgeoefend door luiklokken.  

 

Kroon 

De kroon is het deel van de klok waarmee ze aan ene dwarsbalk wordt opgehangen. Bij het ophangen van de klok worden metalen buizen door de openingen in de kroon gestoken. Veel recente klokken bezitten geen kroon meer. Die klokken worden rechtstreeks aan de  balk opgehangen door middel van bouten die door een of meerdere gaten in de klok worden gestoken. Het al dan niet voorkomen van een kroon heeft geen invloed op de klank van een klok. De drijfveer om klokken te gieten zonder kroon is bijgevolg van zuiver financiële aard.