C

 

Campanologie  

De term campanologie is afgeleid van het Latijnse woord campana, dat “klok” betekent. Het is dus synoniem van “klokkenkunde”. In enge zin verwijst het woord naar de wetenschappelijke studie van de fysische eigenschappen van klokken en beiaarden. In Ruimere zin valt onder het begrip ook de studie van historische, sociale en artistieke aspecten van klokken en beiaarden.  

In Europa wordt het vak campanologie enkel onderwezen aan de gespecialiseerde beiaardscholen. In de USA wordt het vak ook gedoceerd aan enkele universiteiten. Aangezien een formele opleiding tot campanoloog niet bestaat, wordt gewoonlijk als campanoloog beschouwd een persoon die door ervaring en zelfstudie een grote bekwaamheid in het vakgebied heeft verworven.  

 

Change-ringing  

Het Verenigd Koninkrijk is geen historisch beiaarland. Toch werd Engeland reeds in de 18de eeuw the Ringing Isle genoemd. Die naam heeft het land te danken aan de populaire traditie van het change-ringing of wisselluiden, dat ontstaan is in de 17de eeuw.  

Meestal gebeurt het change-ringing met 8 of 10 klokken, die als reeks een diatonisch octaaf of deciem vormen (dus de gewone toonladder zonder “kruisen of mollen”). In startpositie hangen de klokken met de mond naar boven, dus omgekeerd naar onze normen. Elke klok wordt bediend door een luider die op het gepaste ogenblik de klok een volledige kanteling van 360 graden doet maken en ze zo eenmaal doet klinken. Het change-ringing bestaat uit snel op elkaar volgende toonreeksen. Per reeks wordt elke klok eenmaal gebruikt. In de eerste en laatste reeks worden de klokken in volgorde geluid, te beginnen bij de hoogste en te eindigen bij de laatste. Hiertussen worden minutenlang (en soms urenlang) allerlei variaties ten gehore gebracht volgens vastliggende patronen, die kleurrijke namen dragen als Cambridge Surprise Maximus of Double Norwich Court Bob Major. Het strakke, en toch speelse karakter van het change-ringing geeft de zondagmiddag in Engelse steden en dorpen een bijzonder feestelijke sfeer.  

De luiders staan in een cirkel opgesteld met het gezicht naar elkaar toe. Toch is voor change-ringing een perfect coördinatievermogen en een uitstekend geheugen nodig. 

In Engeland zijn nog steeds meer dan 50.000 change-ringers actief. Het spelen met handklokken (“handbells”), dat in Engeland en de USA wel eens wordt beoefend tijdens kerkdiensten, is een uitvloeisel van het oefenen voor het change-ringing door middel van handklokken. Maar dat laatste gebeurt meestal in de pub.    
Ook buiten Engeland wordt aan change-ringing 
gedaan : de Brigidaluiders te Geldrop (Nl.).

Chung  

Chung is de benaming voor een bepaalde categorie van Chinese klokken die geen klepel bezitten. De klokken zijn meestal voorzien van reeksen van 3 x 3 “tepels”, die, afhankelijk van de theorie, voornamelijk een vruchtbaarheidssymbool waren, ofwel een rol spelen bij de klankvorming.  

De Chinezen waren de eersten die bronzen klokken goten. Hiermee stelden zij klokkenspellen samen die door een of meerdere personen werden bespeeld door middel van hamers. In 1978 werd in dit verband een spectaculaire en - voor westerse waarnemers - zelfs ietwat onthutsende ontdekking gedaan : in een markiesgraf uit de 5de eeuw voor Christus bevond zich een intact klokkenspel van 65 klokken. Plots werd duidelijk dat de Chinezen een muziekinstrument kenden dat, alvast op het gebied van het aantal klokken, kon wedijveren met “onze” beiaarden.  

Sommige Chinese klokken produceren twee verschillende tonen, afhankelijk van de plaats waar ze werden aangeslagen. Veel van de kennis die wij momenteel bezitten van de oude Chinese klokkencultuur is nog steeds gebaseerd op hypothesevorming.  

 

Computerspeelwerk  

Hedendaagse automatische speelwerken zijn haast uitsluitend computerspeelwerken. Het grote voordeel van een computerspeelwerk is het gemak waarmee de melodieën geprogrammeerd worden. De beiaardier kan de melodieën inspelen op een pianoklaviertje of ingeven via de computer. 

Het computerspeelwerk kan tot honderden melodieën opslaan en laat de meest flexibele speelagenda’s toe, zodat de muziek onbeperkt kan worden aangepast aan de tijd van het jaar. Dit gemak vormt natuurlijk een enorm contrast met het dagenlange versteekwerk aan de oude trommels. Een nadeel van dit comfort is wel dat een bestuur in de verleiding kan komen om elk uur van de dag een verschillende melodie te laten horen. Hierdoor vervaagt uiteraard de cyclische tijdsbeleving van het uur en zijn onderdelen, iets dat zo eigen was aan de speeltrommel.  
Computerspeelwerk van de firma 
Clock-o-Matic, Holsbeek


Contacttijd
 

De contacttijd tussen klepel en klok (of tussen hamer en klok) bepaalt een deel van de klankkleur van de klok. Bij een korte contacttijd worden veel boventonen van de klok tot klinken gebracht, wat een rijke en heldere, maar soms ietwat scherpe klank teweegbrengt. Naarmate de contacttijd langer wordt, worden de hogere boventonen minder sterk tot klinken gebracht. Hierdoor gaat de klok warmer klinken, maar kan ze ook wat “matter” klinken.  

Drie factoren hebben invloed op de contacttijd tussen klepel en klok : het materiaal van de klepel, zijn gewicht en de snelheid waarmee hij de klok raakt. Hoe harder het materiaal van de klepel, des te sterker zijn de hoge boventonen. Smeedijzeren klepels veroorzaken aldus een rijkere klank dan klepels in brons of mangaanmessing (zie ook : aanrakingsoppervlak). Hoe lichter de klepel, des te korter de contacttijd ; en hoe hoger de snelheid van de klepel, des te korter de contacttijd.  

 

Corrosie  

Tot een eind in de 20ste eeuw overheerste de opvatting dat een klok haar toon behoudt “tot in der eeuwigheid”. In tegenstelling tot andere muziekinstrumenten zou een goede beiaard dus nooit moeten herstemd worden. Volgens deze redenering klinken de overgebleven historische instrumenten nog steeds zoals op het ogenblik toen ze gegoten werden. Vooral door de onderzoekingen van André Lehr is echter aangetoond dat de corrosievorming bij klokken invloed heeft op de klankkleur en vooral de toonhoogte van de klokkenklank.  

Onder invloed van luchtverontreiniging vormt zich op het klokkenbrons een laag patina. Die is zichtbaar in verkleuringen, zoals we die ook op bronzen standbeelden kunnen waarnemen. Indien de patinalaag onder invloed van het luiden van de klok of door het beiaardspel afbrokkelt, wordt de klokwand dunner. Dat heeft dan weer invloed op de klankkleur en de toonhoogte van de klokken. Een wandverdunning verlaagt de klokkenklank (een dunne wand trilt immers trager dan een dikke wand !). Een beiaard die een aantal jaren lang onderhevig is geweest aan luchtverontreiniging, vooral van zwaveloxide, gaat dan ook geleidelijk vals klinken. Hierbij gaan de kleine klokjes het meest in toon zakken, aangezien de wandverdunning bij hen verhoudingsgewijs het grootst is.    

Gelukkig is ons energiegebruik van de laatste decennia “klokvriendelijker” geworden. De ergste corrosie vond immers plaats in de periode toen nog werd gebruikgemaakt van steenkool als energiebron.

Klokken kunnen tegen corrosie beschermd worden door ze periodiek in te strijken met een anticorrosiefilm. Aangetaste beiaarden kunnen worden gerestaureerd, weliswaar ten koste van een bijkomende verlaging van de toon. De zwaardere klokken worden licht naar omlaag gestemd om ze weer onderling consonant te maken, terwijl de kleinere klokken, die meestal het sterkst zijn gedaald door de corrosie, worden vervangen door nieuwe klokken. Het behoud van de kleine klokken zou immers een te ingrijpende herstemming van de zware klokken noodzakelijk maken. 
Gecorrodeerde klokken van de
beiaard van Middelburg