B

 

Bandspeelwerk

Na de Tweede Wereldoorlog werden geen klassieke speeltrommels meer vervaardigd. Nieuwe automatische speelwerken werden ingericht als bandspeelwerken. Een plastic band met ponsgaten passeert langs elektrische contacten. Telkens een gat voorbij een contact komt, wordt een electomagnetische speelhamer geactiveerd. 

Tegenwoordig worden bandspeelwerken nog slechts zelden geplaatst. Ze zijn immers niet altijd bedrijfszeker door de vochtige atmosfeer in beiaardtorens. Bovendien bieden de moderne computerspeelwerken een groter comfort bij het programmeren van de melodieën.  

 

Banklok

In de late Middeleeuwen kregen de steden van hun landsheer het recht om een of meerdere klokken in hun belfort of de belangrijkste kerktoren op te hangen. De belangrijkste van deze klokken was de banklok (cloche banale, campana banalis), die dienst deed als officiële “aankondiger”. De burgers waren verplicht gevolg te geven aan de oproep van de banklok.  

Later werd de functie van de banklok vaak uitgesplitst over meerdere klokken die elk een specifieke functie hadden. Zo riep de stormklok de burgers te wapen ; de brandklok riep de burgers op bij brand en de poortklok kondigde het sluiten van de stadspoort aan.  

 

Beiaard

Volgens de definitie van de Beiaardwereldfederatie is een beiaard een muziekinstrument, bestaande uit 23 of meer gestemde bronzen klokken en verbonden met een stokkenklavier. De minimale toonomvang is dus 2 chromatische octaven (enkel de lage cis en dis mogen ontbreken). Een standaardbeiaard heeft 4 octaven of 49 klokken.  

De term beiaard wordt enkel nog in Vlaanderen gebruikt. In de meeste andere landen wordt het Franse woord carillon gebruikt. In  Duitsland gebruikt men Glockenspiel of Carillon. In Nederland spreekt men van carillon of klokkenspel ; maar de Nederlandse klokkenspeler wordt wel meestal beiaardier genoemd.                     

 

Beieren

Het beieren (beyaerden in het Middelnederlands) is de directe voorloper van het beiaardspel zoals wij dat nu kennen.  Bij feestelijke gelegenheden, meestal van religieuze aard, werden de luiklokken van kerktorens bespeeld door middel van touwen die aan de klepels van de klokken verbonden waren.  

Wellicht rond 1500 heeft men deze touwen samengebracht in een raamwerk en verbonden met klavierstokken, zodat het eerste beiaardklavier ontstond. Minder gebruikelijk als beiertechniek was het bespelen van klokken met houten hamers. 

Het beieren is in onze streken reeds lang in onbruik geraakt, maar in sommige streken van Frankrijk, Spanje, Zwitersland, Griekenland en Rusland Europa wordt het nog steeds beoefend.
Beieraar in Zuid-Frankrijk

Bezwering

In verschillende culturen hadden klokken een verjagende of bezwerende functie. In West-Europa kwam dit aspect van de luiklok vooral naar voor vanaf de late Middeleeuwen. Men kende onder meer het onweerluiden, aangezien men dacht dat het geluid van zware klokken wolken en onweders kon verdrijven. Men vindt een echo van dit gebruik in het beroemde klokkenopschrift Vivos voco, mortuos plango, fulgura frango (“Ik roep de levenden, ik beween de doden, ik breek de bliksem”).  

Ook bij ziekte en sterfgevallen werden vaak klokken geluid om boze geesten te verdrijven (“pestem fugo” : ik verjaag het onheil”).

Men beweert dat de Turken het gebruik van de klok niet kenden omdat zij dachten dat hun geluid de geesten van de overledenen in verwarring bracht en angst inboezemde.    

Fries van Willem  Witlockx : wellicht een echo van de bezwerende functie van de klok
. 
 

Bijenkorfmodel

Dit is de naam van en specifiek klokprofiel dat in onze streken werd gebruikt tot in de twaalfde eeuw. Het bijenkorfmodel wordt gekenmerkt door een brede, bijna horizontale schouder, een  bijna verticale flank en een niet of nauwelijks geprononceerde slagring.  

Het bijenkorfmodel werd verdrongen door het hiervan sterk afwijkende punthoedmodel (smalle schouder, sterk naar buitenlopende flank, geprononceerde slagring). Het bijenkorfmodel is misschien ontstaan onder invloed van oosterse voorbeelden (vergelijk het bv. met de Chinese “chung”-klok).    
klokkenmuseum 
Grassmayr, Innsbruck


Bim-bameffect

Wanneer men een klok hoort luiden, heeft men soms de indruk dat zij afwisselend twee verschillende klanken voortbrengt : de ene vrij scherp (“bim”) en de andere warme en meer getemperd (“bam”). Dit effect wordt sterker naarmate men zich meer in het verlengde van de luidrichting bevindt en naarmate de klok hoger wordt “opgeluid”.  

De verklaring van dit verschijnsel ligt in de partiaaltonen van de klok. Indien de mond van de klok bij het luiden naar de luisteraar is gericht (en deze dus in principe binnen de klok kan kijken indien er geen torenmuur tussenstond), worden vooral de hogere boventonen van de klok gehoord (“bim”), die voornamelijk in de kop van de klok worden geproduceerd. Wanneer de klok zich in de tegenovergestelde richting beweegt (dus van de luisteraar weg), hoort men vooral de grondtoon (“bam”), die voornamelijk tot klinken komt onderaan de flank, die op dat ogenblik naar de luisteraar is gekeerd.  

Bij moderne geluien kantelt de klok niet meer zo sterk als vroeger, zodat ook het bim-bameffect minder duidelijk hoorbaar is.  

 

Bladveer

Bij kleinere beiaardklokjes wordt achter de klepel meestal een bladveer aangebracht, die met de klepel verbonden is door middel van een staaldraad. De veer trekt de klepel vlak na de aanslag terug en voorkomt zo dat de klepel tegen de klokwand blijft “plakken”. De bladveer zorgt er dus voor dat de klok onbelemmerd kan trillen en dat de klepel snel weer “in aanslag” hangt, waardoor snel en gecontroleerd beiaardspel mogelijk wordt. Bladveren worden verkozen boven spiraalveren omdat hun trekkracht kan bijgesteld worden.  

Het gebruik van veren maakt het ook mogelijk dat de invloed van het variërende klepelgewicht op de weerstand van het klavier gedeeltelijk kan worden weggewerkt. De bladveren maken de lichte klepels als het ware zwaarder. Soms worden zware klepels ook “lichter” gemaakt door ze  te voorzien van bladveren in de tegenovergestelde richting. 

Het gebruik van veren bestond al in de 18de eeuw, maar werd voor het eerst systematisch toegepast en gepropageerd door de Mechelse stadsbeiaardier Jef Denyn.  

Bladveren aan de rechterzijde 
van de klokken (beiaard van Innsbruck)
 

Boventonen  

Naast zijn grondtoon produceert een muzikale klank ook een aantal boventonen, die samen de uiteindelijke klankkleur bepalen. De meeste muziekinstrumenten produceren hun klanken door middel van trillende snaren (“chordofonen”) of trillende luchtkolommen (“aërofonen”). Deze klanklichamen produceren naast hun grondtoon een aantal boventonen volgens de volgende frequentiereeks : 1 – 2 - 3 – 4 – 5 – 6 enz. Een grondtoon la of a1 met een trillingsfrequentie van 440 per seconde (“440 Herz”) heeft als eerste boventonen a2 (2 x 440 Hz of 880 Hz) – e3 (3 x 440 Hz of 1320 Hz) – a3 (4 x 440 Hz of 1760 Hz) enz.  

Een klok is een idiofoon. Idiofonen  produceren afwijkende reeksen boventonen. De boventonen van een goed gestemde klok volgende de reeks 1 – 2 – 2,4 – 3 – 4 enz. Dezelfde la of a1 van daarnet heeft dus als boventonen : a2 (880 Hz) – c3 (1056 Hz) – e3 (1320 Hz) – a3 (1760 Hz) enz. Hierbij valt vooral de kleine terts c3 of do op, daar waar de chordofonen en aërofonen als eerste terts een grote terts laten horen. Deze kleine terts geeft de klokkenklank zijn typische kleur.  

Een tweede verschil met de meeste andere instrumenten is het feit dat bij klokken vaak afwijkingen ten opzichte van bovenstaand schema te bespeuren vallen, terwijl bv. een snaar of een orgelpijp altijd de verwachte boventoonreeks laat horen. Daarom moeten beiaardklokken niet enkel uitwendig worden gestemd (namelijk de klokken ten opzichte van elkaar), maar ook inwendig (namelijk de boventonen van één klok ten opzichte van elkaar). Het bovenstaande houdt onder meer in dat één enkele klok op zichzelf “vals” kan klinken, wat onmogelijk is bij een snaar of een orgelpijp.  

Hoewel een klok tientallen boventonen bezit, worden in de praktijk enkel de grondtoon en de vier laagste boventonen gestemd (priem, terts, kwint, octaaf). Dit gebeurt door aan de  binnenkant van de klok  brons weg te vijlen. De controle van de boventonen geschiedt vandaag de dag met electronische hulpmiddelen.  

 

Broeksysteem

Tot het begin van de 20ste eeuw was het broeksysteem bij veel beiaarden, voornamelijk in Nederland, een vaak gebruikt type verbinding tussen klavier en klepel. Een verticale draad, ook klavierdraad genoemd, wordt door middel van een ring verbonden met twee min of meer horizontale draden : een die naar de klepel gaat (de “klepeldraad”) en een andere die naar een vast punt, zoals een muur, loopt (de “broekdraad”).  

Wanneer de beiaardier een toets indrukt wordt de klepeldraad naar beneden getrokken, waardoor de twee horizontale draden worden meegetrokken. Door deze beweging trekt de klepeldraad de klepel in de richting van de wand van de klok.  

Aangezien dit type tractuur geen enkel scharnierend onderdeel bevat, laat het een moeiteloze bespeling toe. Gecontroleerd beiaardspel is echter problematisch, gezien draden en klepels in het broeksysteem snel gaan slingeren. Bovendien is het moeilijk om alle klokken te voorzien van broeken met dezelfde hoekverhoudingen.  

Vanaf het einde van de 19de eeuw is het broeksysteem dan ook geleidelijk vervangen door het tuimelaarsysteem, dat werd gepromoot door de Mechelse stadsbeiaardier Jef Denyn. Dit gebeurde echter niet zonder hardnekkig verzet aan Nederlandse zijde, waar het broeksysteem op sommige plaatsen nog tot ver in de 20ste eeuw standhield.  

 

Brons

De meeste klokken worden gegoten uit brons. Brons is een legering van koper en tin. Sinds de Middeleeuwen bestaat klokkenbrons uit ongeveer 80 % koper en 20 % tin. Een groter percentage tin maakt de klokkenklank helderder en verlengt de uitklinktijd, maar maakt het brons tezelfdertijd harder en dus ook brozer. Meestal wordt in kleine beiaardklokken tot 23 % tin gebruikt om deze qua klank ietwat te “upgraden” ten opzichte van de grotere klokken, die van nature een groter klankvolume bezitten.  

In de praktijk is het vrijwel onmogelijk om 100 % zuiver brons te bekomen. Een percentage van 2 tot 3 % andere metalen, zoals lood, zink en fosfor wordt dan ook aanvaardbaar geacht. Bij hogere percentages van deze zogenaamde bijmengingen wordt de klokkenklank kort en dof.  

Regimes die klokken die omgoten tot kanonnen pakten dit voorzichtig aan, op technisch vlak tenminste. Een kanon in klokkenbrons zou bij het eerste schot uiteenspatten. Daarom werden kanonnen gegoten volgens de legering 90 % koper en 10 % tin.  

Het gebruik van het relatief dure brons voor klokken ligt voor de hand. Brons is hard en duurzaam en bevat een chemische structuur met een lage “inwendige demping”. Dit resulteert in een volumineuze en lang uitklinkende klank. Pogingen om klokken te vervaardigen uit goedkopere metalen bleven dan ook zonder succes. In Duitsland vindt men wel eens kleine klokkenspellen van porselein.  

In de volksmond wordt klokkenbrons klokspijs genoemd. De oude gewoonte om tijdens het gieten van een klok zilverstukken in de gietoven of in het gietkanaal te werpen heeft de onjuiste mening doen ontstaan dat zilver de klokkenklank beter maakt. De klokkengieter kon er wel eens beter van worden.