A


Aanrakingsoppervlak
 

Het klepeloppervlak dat de klokwand raakt bij klokgelui of beiaardspel oefent invloed uit op de klank van de klok. In het algemeen kan men zeggen dat hoe kleiner het aanrakingsoppervlak, des te vrijer de klokwand kan trillen en dus hoe meer boventonen zullen meeklinken.  

Klepels van het oudere type waren van hard smeedijzer en produceerden zo een rijkere, maar ook agressievere klank dan de huidige klepels van mangaanmessing. Deze laatste hebben door de relatieve zachtheid van het metaal een groter aanrakingsoppervlak. Indien een klepelbol door veelvuldig gebruik platter wordt, kan men eventueel de klepel omdraaien of vervangen om opnieuw een rijke en boventoonrijke klokkenklank te verkrijgen.  

 

Aanslagtempo 

Het tempo waarin een luiklok wordt aangeslagen hangt af van twee factoren : het gewicht van de klok en het type van luidas. Hoe zwaarder een klok, des te trager wordt te geluid. Het lager het draaipunt van de luidas is gemonteerd ten opzichte van de klok, des te trager het gelui klinkt (zie verder : luiden).  

Het gelijktijdig luiden van enkele klokken in een verschillend tempo is een van de aantrekkelijke eigenschappen van een klokgelui. Hierdoor ontstaat immers een ritmisch patroon dat voortdurend verschuift. In het algemeen kan men zeggen dat hoe noordelijker men gaat, des te sneller de gemiddelde aanslagtempi liggen. Een c2-klok van ongeveer 300 kg luidt bv. ongeveer 60 maal per minuut in Nederland, Duitsland en ScandinaviŽ, en slechts 50 maal per minuut in BelgiŽ.  

 

Akoestiek 

Net zoal een concertzaal een bepaalde akoestiek bezit, die de klankwaarneming in positieve of negatieve zin beÔnvloedt, zo wordt de gewaarwording van een klok mede bepaald door de aard van de klokkenkamer en van de luisterplaats.  

In het algemeen wordt een zogenaamde gesloten klokkenkamer (dus met relatief weinig vensteropeningen) akoestisch gunstiger geacht dan een open klokkenkamer (bv. een lantaarntoren). Een gesloten klokkenkamer doet immers dienst als resonantieruimte, waardoor de klank van de klokken wordt weerkaatst door de wanden. Zo komt de klank gelijkmatig aan alle kanten van de toren naar buiten. Deze eigenschap is vooral belangrijk bij het zogenaamde tremolospel. Bij een beiaard die in een open toren hangt hoort men de klokken veeleer afzonderlijk. Dit effect is des te sterker naarmate de klokken meer zichtbaar buiten de toren hangen. Open torens kan men de eigenschappen geven van gesloten torens door de vensters van houten galmborden te voorzien (zie ook echowerking).  

Ook het materiaal van de klokkenkamer is belangrijk. Hoe harder de wand, des te meer zal de klank weerkaatst worden en des te rijker en harder zal de toon beneden hoorbaar zijn. Een zachtere wand heeft de eigenschap de hogere boventonen op te slorpen, zodat die beneden minder hoorbaar zijn en men beneden een ietwat matte, maar warme klank hoort. Het spreekt voor zichzelf dat zware beiaarden beter tot hun recht komen als ze hoog hangen, terwijl lichte instrumenten dichter bij de grond moeten geplaatst worden, wil men ze nog duidelijk kunnen horen.  

Ook de luisterplaats moet aan bepaalde vereisten voldoen. Ze moet uiteraard geluidsvrij zijn en zo mogelijk beschut tegen de wind. Men hoort de klank het best indien men de toren rechtstreeks kan zien en men vlak achter zich of rondom een wand heeft die het geluid als het ware opvangt als een klankkast. Indien men echter een hoge wand enkele tientallen meters achter zich heeft, zorgt de weerkaatsing van de klank voor storende echoís. De aanwezigheid van bomen en struiken in de onmiddellijke omgeving geeft de klank van klokken een milder karakter.  

 

Appeelkens 

Oude benaming voor de klokjes van de voorslag.