Op het klokmusyk t’Amsterdam

Joost Van den Vondel



Nec mortale sonans

Laet al d’oude Grieken zwijgen,
Stoffende, zoo trots en fier,
Van Amfions goude lier,
Op wiens klank de vesten stijgen,
Bacchus zijn geboortestadt
Van den hemel zagh bescheenen,
Daer zoo veel verstroide steenen
Zich verhieven uit het plat,
Op de maet van snaer en zanger,
Wy verwondren ons niet langer.

Droom en kluchten gaven stof
Aen de lichtgelovende ouden,
Die gedroomde steden bouden,
Dat verzieren ging te grof.
Griecken, dertel in zijn vonden,
Zocht uit duisternisse licht,
Diende zich van ydel dicht,
Aen geen schijn van reên gebonden,
Toen het geestigh loghens goot,
En zijn verf niet eens verschoot.

Wy, verlicht door rijper klaerheit,
Mogen spreeken, rijk van roem,
Zonder dat men ’t werk verbloem,
In der daedt, en in der waerheit:
Gijsbrechts stadt wort rontom heen,
Op muzijk van torenklokken,
Met een steenen muur omtrokken,
Wordt geklonken hecht aen een,
Als Verbeek met voet en vingren
Klanken weet door een te slingren.

Hij verdooft met klokgeluit
D’allereêlste kerkkooraelen,
Speelt met klokken als cymbaelen.
’s Hemels koren kijken uit.
Op de heele en halleve uren,
En de vierendeelen me,
Steekt de Koningin der zee
’t Hooft nu trotser uit haer muuren,
Gort haer’ vruchtbren schepetuin
Met een gordel van arduin.

Ik verhef mijn’ toon in ’t zingen
Aen den Amstel en het IJ,
Op den geest van Hemony,
D’eeuw’ge eer van Loteringen,
Die ’t gehoor verlekkren kon
Op zijn klokspijs, en zijn nooten,
Ons zoo kunstrijk toegegoten,
’t Lust ons op de klokketon,
om doorluchte torentranssen,
eenen klokkedans te danssen.

Cybele behaelt geen’ prijs
Door geschal van keteltrommen,
Nu de torentranssen brommen
Met een liefelijker wijs
Dan haer dolle Korybanten.
Geen of een alleen vermagh
Om te voeren nacht en dagh
Eenen rey van musikanten.
Voert dien klokhelt op ’t altaer
Eens gezien in duizent jaer.


Toelichting

Joost Van den Vondel (1587-1679), Amsterdammer met Antwerpse voorouders, was de grote dichter van de Hollandse gouden eeuw. Zijn roem stoelde vooral op zijn treurspelen en vertalingen van klassieke tragedies. Maar Vondel was van alle literaire markten thuis. Zijn talrijke gelegenheidsgedichten tonen een schitterend beeld van het welvarende Amsterdam uit de 17de eeuw. Zijn gedicht Op het klokmusyk t’Amsterdam is een verheerlijking van de Amsterdamse beiaarden, de klokkengieters Hemony en Salomon Verbeeck, beiaardier van de Oudekerkstoren.

Op oudere leeftijd hoorde Vondel het klankbeeld van de stad veranderen door de 5 Hemony-beiaarden die tussen 1653 en 1664 in de torens van de stad werden aangebracht. Toen hij zijn gedicht schreef, waren de Hemony-instrumenten van de Beurstoren, de Zuidertoren, de Oudekerkstoren en de Westertoren voltooid. Het instrument op het stadhuis zou drie jaar later worden geplaatst.

Het gedicht wordt gekenmerkt door een geliefkoosd procédé van Vondel, namelijk de vergelijking tussen de huidige tijd en de klassieke oudheid. Dit liet hem toe zijn eruditie tentoon te spreiden en meteen ook de superioriteit van zijn tijd ten opzichte van de oude Grieken aan te tonen. Voor de huidige lezer komen de mythologische verwijzingen gekunsteld en vergezocht over ; we moeten ons er echter van bewust zijn dat de antieke mythologie voor Vondels tijdgenoten parate kennis was en dat het belachelijk maken van de verwezenlijkingen van de ouden, zoals in dit gedicht gebeurt, een vorm van intellectuele humor was.

De mythologische held Amphion had van Apollo een lier ten geschenke gekregen. Hij bouwde de vesting rond Thebe op door met behulp van zijn kunstig lierspel de verspreide stenen bij elkaar te verzamelen. Daar waar de Amsterdamse beiaarden vergeleken worden met de lier van Amphion, wordt de bouw van Thebe zeer waarschijnlijk als parallel gebruikt voor de zogenaamde vierde stadsuitlegging, Deze stadsuitbreiding, die werd voltooid in 1663, maakte de oppervlakte van de Amsterdamse binnenstad ongeveer dubbel zo groot als voorheen. Het verhaal van Amphion wordt afgedaan als een verzinsel van de oude Grieken (strofen 1 en 2). Daarna wordt de kwaliteit van de Amsterdamse klokkenspellen geroemd en in verband gebracht met de bouw van de nieuwe stadsmuren (strofen 3 en 4). In de twee laatste strofen wordt de roem van het Lotharingse broederpaar Hemony bezongen en wordt de schoonheid van de Amsterdamse klokmuziek vergeleken met de wilde ketelmuziek van de corybanten, de volgelingen van de Phrygische natuurgodin Cybele.  

Drie eeuwen later schreef de bekende Nederlandse dichteres Hanny Michaelis een gedicht over Amsterdam waar ook even allusie wordt gemaakt op de beiaarden. Maar daar waar in Vondels poëzie het klokkenspel de luister van de stad versterkt, accentueren bij Michaelis de beiaarden de vervuiling en ontmenselijking van de grootstad. Een "antigedicht" dus, maar op zijn manier toch heel mooi.

Onbekommerd toont Amsterdam
haar rotte gebit, haar aan aardgas
stervende bomen, haar onrein water
waarin de zon zich weerkaatst.
Uit ontelbare vervuilde neusgaten
blaast ze kwaadsappige dampen
over haar daken vol televisie-antennes
en duiven, waarboven de hemel
licht wordt en weer donker, sterren
balanceren een paar minuten op de spits
van een kerktoren, carillons
mengen hun valse stemmen in
de oorverdovende musique concrète
van auto's, ambulances, pneumatische
boren, sloophamers, hei-installaties
en overal kruipen mensen in en uit
de schulp van hun huis, hun krot,
hun dierbare, gehate puinhoop.

(uit Wegdraven naar een nieuw Utopia).

 terug | home