Brugge, belfort

 

 

 

 

 



   Klankensluier over de dode stad 



Als er één beiaard is die schrijvers en dichters heeft geïnspireerd, dan is het wel die van het Brugse belfort
.  

De geschiedenis van het huidige instrument start op 30 april 1741. Toen verdween de beiaard van Melchior De Haze in de vlammen die het belfort teisterden. In hetzelfde jaar startte klokkengieter Joris Dumery de werken aan een nieuw instrument, dat pas werd voltooid in 1747. Uurwerkmaker Antoon De Hondt leverde een speeltrommel van ca. 9000 kg met 30.500 gaatjes, de grootste muziekdoos die ooit werd vervaardigd. Momenteel bestaat de beiaard uit 47 klokken. Hij transponeert een kwart naar omlaag – enkel de nieuwe Mechelse beiaard klinkt even diep – en is prominent hoorbaar in de Brugse binnenstad. Hij produceert een ietwat hese klank, die echter goed accordeert met het historisch stadscentrum.

De Brugse beiaardklanken drongen ook door tot in de schone letteren. Talrijke dichters en romanciers hoorden in de klokken van Brugge immers de echo van de oude binnenstad. In hun werk geven klokkenklanken reliëf aan de mystieke stilte van de dode stad, weerspiegelen luidklokken de schokkende gang van de begijnen en hinkt de primitieve muziek voort op de verweerde trapgevels.  

De Brugse beiaard werd geconsacreerd in Le Carillonneur, de laatste roman van Georges Rodenbach (1855-1898). Rodenbach voert Joris Borluut ten tonele, de idealistische stadsbeiaardier en stadsarchitect die ijvert voor het behoud van het “oude Brugge” tegen de opkomst van de industrialisatie. Als zijn opzet mislukt, verhangt hij zich in een van de klokken van zijn beiaard.  

Maar de huidige beiaardier, Aimé Lombaert, is springlevend. Jaarlijks verzorgt hij meer dan 200 bespelingen en concerten op zijn instrument.  

terug | home