hoofdstuk 4  
 De “zwarte eeuw” van de beiaardkunst  (1790-1890)
 

De negentiende eeuw gaat door als de zwarte eeuw van de beiaardkunst. Er was inderdaad een einde gekomen aan de hoogconjunctuur van de eeuwen voordien. Maar ook hier kunnen we stellen Black is Beautiful, want de negentiende eeuw heeft de beiaardkunst enkele mooie literaire accenten meegegeven.

  

1. Oorzaken van het verval van de beiaardkunst

De Franse omwenteling betekende een abrupt einde van 150 jaar bloeitijd van de beiaardkunst in de Zuidelijke Nederlanden. Vanaf 1795 werden een groot aantal klokken opgeëist. Het brons werd gebruikt om wapens of muntstukken te vervaardigen. Vooral de kerk- en abdijbeiaarden werden het slachtoffer van de Franse opeisingen.

Een aantal stadsbeiaarden bleef bewaard, maar de stadsbeiaardiers moesten dan wel republikeinse liederen spelen of ze programmeren op de speeltrommel. Beiaardiers die niet meewerkten, zoals Cornelis Schepers in Aalst, vlogen in de gevangenis. Beiaardiers die toegaven slaagden erin hun beiaard te redden, maar werden achteraf soms van collaboratie verdacht door de stedelijke autoriteiten. 

Toen de situatie in 1801 opklaarde dankzij het concordaat tussen Napoleon en de paus, kon de beiaardkunst de draad van de vroegere hoogconjunctuur niet opnieuw opnemen. Hieruit blijkt dat de teloorgang van de beiaardcultuur in de 19de eeuw veel minder het rechtstreeks gevolg is geweest van de Franse klokopeisingen dan van de totale maatschappelijke ommekeer die het gedachtengoed van de Franse omwenteling teweegbracht.

Het is trouwens opvallend dat in de Noordelijke Nederlanden - toen de Bataafse Republiek - de beiaardkunst nog sterker in de verdrukking kwam, hoewel hier haast geen klokopeisingen hebben plaatsgevonden.  

Andere oorzaken zijn zeker de moraal van de nieuwe burgerij, die zich meer aangetrokken voelde tot de concertzaal dan tot het volkse instrument dat de beiaard was. Verder was het een feit dat de romantische muziek, met haar harmonische vrijheden, chromatismen en modulaties minder geschikt was voor uitvoering op beiaard dan de helder gestructureerde en voorspelbare muziek van de vroegere eeuwen.

  

De teloorgang van de beiaardkunst kwam vooral tot uiting in kwantitatieve elementen : het aantal bespelingen verminderde, de speeltrommel werd soms jarenlang niet verstoken en er kwamen haast geen beiaarden meer bij. Maar in de meeste Vlaamse steden werd de continuïteit van de beiaardcultuur niet doorbroken, aangezien de functie van stadsbeiaardier gehandhaafd bleef. De meeste beiaardiers haalden echter niet het professionele niveau van hun collega’s uit de 18de eeuw.

 

2. Pogingen tot technologische vernieuwing 

In de tweede helft van de 19de eeuw werden pogingen ondernomen om het als primitief bestempeld klokkenklavier te vervangen door een pianoklavier. Men trachtte hiermee het speelgemak te vergroten, zodat “zelfs dames” het instrument zouden kunnen bespelen. De constructeurs Smulders, Lovaert, Collin, Bollée en anderen stelden elektrische, pneumatische of andere overbrengingssystemen voor. Aanvankelijk kenden zij bijval, maar het speelgemak van deze systemen bleek minder groot te zijn dan de constructeurs het voorstelden. Bovendien lieten deze systemen geen verschillen in klankvolume toe, iets wat het “primitieve” stokkenklavier met zijn mechanische overbrenging wél kon. De moderne klavieren werden een aantal jaren na hun plaatsing dan ook verwijderd.

Op het vlak van het klokgieten zelf werd er geen vooruitgang geboekt, integendeel. De meeste gieters stemden hun klokken niet meer, soms uit een misplaatst romantisch ideaalbeeld. Enkel de Leuvense gieters Van Aerschodt bleven hun klokken stemmen, zij het minder nauwkeurig dan hun 17de- en 18de-eeuwse voorgangers. Wat wel op peil bleef was de kwaliteit van het gietwerk zelf. De 19de-eeuwse klokken werden vaak rijk geornamenteerd, hetzij met guirlandes, hetzij in neogotische stijl. Ook de capaciteit om zeer grote klokken te gieten bleef aanwezig. Getuige hiervan is de beroemde Mechelse Salvator van André-Louis van Aerschodt, met meer dan 8 ton de zwaarste beiaardklok van het land. 

In onze eeuw werden de 19de-eeuwse beiaarden omwille van hun minder gunstige muzikale eigenschappen meestal vervangen door nieuwe instrumenten.

De enige volwaardige 19de-eeuwse beiaard die nog vrij intact bewaard gebleven is, is de stadsbeiaard van Kortrijk in de Sint-Maartenskerk. Dit instrument uit 1880 van de hand van Séverin van Aerschodt is bijgevolg een uniek getuigenis uit de “zwarte” eeuw van de beiaardkunst.

  

3. De beiaard als romantisch zinnebeeld 

Even sterk als de verwaarlozing van de beiaard als muziekinstrument was in de 19de eeuw de fascinatie voor de beiaard als symbool.

In hun zoektocht naar sporen uit het verleden en zinnebeelden van de nationale eigenheid kwamen de romantische literatoren al snel uit bij de beiaard.

De beiaarden werden beschouwd als overlevende getuigen van ver en groots Vlaams verleden. Wellicht was de schamele kwaliteit van hun muziek een extra bron voor inspiratie voor de romantische dichters : de valse klank van hun klokken gaf hun muziek een eeuwenoud patina ; de ritmische oneffenheden van het trommelspeelwerk gaven de indruk dat de klokken aarzelden om het ongenadig voortvlieden van de tijd aan te kondigen ; het feit dat de trommels jarenlang dezelfde muziek bleef reutelen, gaf hun muziek op de duur een haast surrealistische kracht.

Dat ondervond in elk geval Victor Hugo, toen hij in 1837 op doorreis in Mechelen door het automatisch speelwerk uit zijn slaap werd gehouden :  

J'aime le carillon dans tes cités antiques,

O vieux pays gardien de tes moeurs domestiques,

            Noble Flandre, (...)

Maar de beiaard die het meest tot de dichterlijke verbeelding sprak, was ongetwijfeld die van Brugge. De beiaard van het hoge belfort reeg een onzichtbare band tussen de archetypische elementen van la ville morte : verweerde trapgevels, het donker minnewater met witte zwanen en de begijnen die onder onophoudelijk klokgelui ter kerke gaan. Bij het horen van de beiaard doemden bij Henry Wadsworth Longfellow visioenen op van een mythisch Vlaanderen :

             Then most musical and solemn, bringing back the olden times,

            With their strange, unearthly changes rang the melancholy chimes 

            Like the psalms from some old cloister, when the nuns sing in the choir ;

            And the great bell tolled among them, like the chanting of a friar; 

            Visions of the days departed, shadowy phantoms filled my brain ;

            They who live in history only, seemed to walk the earth again ;

             (...)

De identificatie van de beiaard met de hang naar een groots verleden krijgt haar hoogtepunt in Le Carillonneur, de laatste roman van Georges Rodenbach (1897). Rodenbach voert stadsbeiaardier Joris Borluut ten tonele als beschermer van Brugge, het reliekschrijn van het verleden. Wanneer Borluut zijn strijd tegen de aanleg van een moderne zeehaven (Zeebrugge !) verliest, hangt hij zich op in een van zijn klokken.

Rodenbach is niet de enige Fransschrijvende Belg die de beiaard aanwendde als symbool van Vlaanderens verleden. Hij heeft hierin het gezelschap van een hele rist 19de- en 20ste-eeuwse auteurs, zoals Charles De Coster, Emile Verhaeren, Max Elskamp, Camille Lemonnier, Marcel Wyseur, Pierre Broodcoorens, Albert Giraud en Michel de Ghelderode. Meestal hanteerden zij de beiaard als een van die vele Vlaamse cultuuruitingen die de natuurlijke eenheid van het Belgische volk, l’âme belge, moesten aantonen. De Vlaamse component hiervan was o.m. belangrijk om de Belgische natie te beschermen tegen de expansionistische politiek van Frankrijk.  

In dit bestek is het interessant te vermelden dat de beiaard als typisch Vlaams muziekinstrument zelden of nooit een belangrijke rol heeft gespeeld in de Vlaamse beweging. Een notoire uitzondering is het Beiaardlied uit Benoits Rubenscantate, maar ook van dit lied werd al snel een Franstalige versie verspreid !  

De mythe van de Gentse klokke Roeland, Vlaanderens stormklok, is wellicht ook een vinding van de 19de eeuw. Hier vinden we zowel Franstalige poëzie (Pierre Broodcoorens, Le carillonneur des esprits) als Vlaamse lyriek (het bekende lied op tekst van Albrecht Rodenbach).  

De mythe van klokke Roeland kreeg in 1914 werkelijkheidswaarde toen de klok barstte, enkele dagen voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Maar daarmee zitten we reeds in de volgende eeuw.