Hoofdstuk 2

 De ontstaansgeschiedenis van de beiaard
(13de-16de eeuw)  

Indien we de aanwezigheid van een klavier beschouwen als een essentieel kenmerk van de beiaard, dan moeten we de uitvinding van het instrument situeren rond het jaar 1500. Maar uiteraard is de beiaard niet uit het niets ontstaan. In dit hoofdstuk behandelen we de ontstaansgeschiedenis van de beiaard en trachten we waarheid en fantasie van elkaar te scheiden.

 

1. Enkele mythes over de term beiaard, over zijn uitvinder en over zijn plaats van ontstaan

 

De term beiaard duikt de geschiedenis in in een tekst die wij op de schoolbanken nooit hebben mogen lezen. Volg even mee het ware verhaal van Tibeert de kater in het beroemde epos Van den vos Reynaerde.  

De kater Tibeert is binnengedrongen in het huis van een pastoor. Door zijn gestommel wekt hij de pastoor en zijn meid. In het nauw gedreven denkt Tibeert "de aanval is de beste verdediging" en :  

Hi spranc dien pape tusschen die been
Ende trac hem uut dat eene dinc,
Dat tusschen sine been hinc
In die burse al sonder naet,

Daer men dien beiaert  mede slaet.
 (vv. 1266-1270)

 

Na de aangerichte ravage jammert de meid, die blijkbaar meer doet dan enkel kuisen en koken, als volgt :

                       Siet hier mijn scade ende mijn scande
                       Emmermeer voert in allen stonden

          
            Al gehenase hi van der wonden

          
            Hi bliuet den soeten spele mat. 
   (vv. 1280 - 1283)

Maar dan komt Reinaert op de proppen. Hij merkt fijntjes op dat veel kapelletjes slechts luiden met één klok en dat de pastoor het met een klepel minder ook nog wel kan doen.

In latere versies heeft dat eene dinck dat tusschen sine been hinc plaats gemaakt voor de neus van de pastoor. Pas de jongste jaren is zijn beyaert weer in ere hersteld, bij wijze van spreken uiteraard.

Het belangwekkende van deze tekst is niet zozeer zijn obsceniteit, maar vooral het feit dat hij de term beiaard vermeldt in de 13de eeuw, dus twee eeuwen voor het ontstaan van het instrument in kwestie. Blijkbaar had het instrument een primitieve voorganger die ook al beiaard werd genoemd.

De precieze oorsprong van het woord is nog steeds duister. Soms wordt de term verklaard als klanknabootsing ("beieren"), soms vanuit een term beien , met als betekenis "met een hard voorwerp slaan" (cf. battre, to beat e.d.), of ook nog vanuit een term baren , die als betekenis heeft "voortbrengen" of "klank voorbrengen".

De tweede betekenis van het woord beiaard is "gastenverblijf" of "ziekenzaal". Deze betekenis houdt misschien verband met de term baaierd , die "chaos, ongeordende massa" betekent.  

De derde betekenis van de term is "roodbruin" of "roodbruin paard". De bekendste toepassing van deze betekenis is het Dendermondse Ros Beiaard.

Sommigen hebben een verband proberen te leggen tussen de verschillende betekenissen. De notie van "chaos" zou zowel aan de basis liggen van de betekenissen ziekenzaal en klokkenspel (“een verwarrend, chaotisch geluid”). De betekenis "roodbruin" zou niet alleen op een paard kunnen slaan, maar ook op de kleur van een klok.

Tot nu toe is geen enkele verklaring overtuigend gebleken.

Net zoals Paulinus van Nola de klok uitvond, zo heeft ook de beiaard een mythische uitvinder. Hij heette Barthel Coecke en woonde in Aalst.

De mythe over Coecke vindt zijn oorsprong in een hardnekkige traditie dat de beiaard in 1481 of 1487 was uitgevonden door “eenen sot van Aelst”. De 19de-eeuwse romantiek heeft deze traditie omgebogen tot een romantisch verhaal waarin het Belgische nationale muziekinstrument een respectabele uitvinder kreeg. Hij was de vader van de schilder Pieter Coecke en bovendien de schoonbroer van die andere beroemde Aalstenaar, Dirk Martens, die in 1473 de boekdrukkunst invoerde in de Nederlanden. Het volkomen gebrek aan enige bevestiging vanuit archivalische bronnen heeft het verhaal in de 20ste eeuw de doodsteek gegeven.

Verschillende auteurs hebben zich afgevraagd waarom de beiaard in Vlaanderen ontstaan is. Sommigen zien de oorzaak in het Vlaamse klimaat. De Vlamingen zouden in het klokkenspel een middel gezien hebben om wat vrolijkheid te brengen in de sombere hemel die voortdurend zware regenwolken vanuit de Noordzee over de Vlaamse vlakten jaagt. Anderen beweren dat de beiaard enkel maar in de Nederlanden kon ontstaan, omdat het vlakke reliëf van onze streken de klank van klokken verder deed reiken. Sommigen zien de oorsprong in het mystieke karakter van het Vlaamse volk, dat zijn aloude religieuze liederen over heel de gemeenschap wilde doen klinken. En nog anderen schrijven de uitvinding van de beiaard toe aan de barbaarse geaardheid van de Vlamingen ; in de “echte” muzieklanden Duitsland en Italië is men toch nooit op het onzalige idee gekomen om muziek te spelen op torenklokken.

Maar laten we nu overgaan naar ernstiger verklaringen.

  

2. Primitieve klokmuziek en het ontstaan van de beiaard

 Voor de beiaard kunnen drie mogelijke voorlopers aangewezen worden.

Vanaf de 11de eeuw of nog vroeger vond men in de kloosters cymbaalspelen. Dat zijn reeksen van kleine klokjes die met hamers werden aangeslagen. Ze dienden om psalmen te begeleiden of om tonen aan te geven. Talrijke miniaturen tonen afbeeldingen van koning David die klokjes bespeelt. Vermoedelijk hebben deze cymbaalspelen weinig of geen invloed gehad op de ontwikkeling van de beiaard. 

Ten laatste in de 12de eeuw waren er in onze torens beyaerders actief. Zij klepten de aanwezige luiklokken door middel van touwen die aan de klepels bevestigd waren. De snelle opeenvolging van klanken die hierdoor ontstond had een feestelijk effect. Daarom werd er driftig - en tegen betaling - gebeierd bij elke feestelijke gelegenheid. Door de touwen met elkaar te verbinden en ze te koppelen aan pedalen, kon één speler meerdere klokken bespelen, waarschijnlijk ten koste van veel acrobatie.

In de 14de eeuw werden de eerste uurwerken in onze torens geplaatst. De eerste exemplaren konden enkel via een aantal slagen op een klok het uur meedelen. Al snel werd de uurslag dan ook voorafgegaan door een verwittiging (“appeelkens”, “wekkering”, “voorslag”, later “rammel” en “kwartierspel”). Die verwittiging was wellicht aanvankelijk een ding-dong op twee klokken. In sommige Europese streken wordt de uurslag nog steeds door een ding-dong voorafgegaan (bv. Frankrijk). Vaak werd het uur geslagen door een houten personage dat Jaquemart werd genoemd.

Geleidelijk nam het aantal klokjes van de voorslag toe, zodat ook herkenbare melodieën konden gespeeld worden. De oudste vermelding van een herkenbare voorslag vinden we in de abdij van ‘t Park bij Leuven. In 1479 klonk uit de abdijtoren immers elk uur de Mariahymne Inviolata casta et integra est Maria.

Vanaf het ogenblik dat het aantal klokjes voldoende was om herkenbare melodieën op te spelen, werden ze ook manueel bespeeld door middel van hamertjes.  

En dan kwam dan de sprong naar de beiaard. Wellicht bood de voorslag voldoende muzikale mogelijkheden om melodietjes uit te proberen en werd de techniek van het beyaerden op luiklokken overgebracht op de voorslagklokjes. Het primitieve getuig waarmee werd gebeyaerd ontwikkelde zich dan tot een soort klavier met stokken.

De oudste vermeldingen van “nieuwe manieren van klokspelen” vinden we in Duinkerke, waar Jan van Bevere in 1478 liedjes speelt op geheel nieuwe wijze, en in Antwerpen, waar ene Eliseus in 1482 begint met op klokken te spelen, naar een vinding van de fameuze zot van Aalst. Dat gebeurde nog allemaal op luiklokken.

De oudste ondubbelzinnige vermelding van een beiaardklavier vinden we pas terug in 1510 in Oudenaarde, waar de uurwerkmaker Jan van Spiere een voorslag van 9 klokjes plaatst met een “clavier om te beyaerden”. Het beyaerden werd hier dus beoefend, niet op de traditionele luiklokken, maar op de klokjes van de voorslag. De Oudenaardse archieftekst is erg neutraal en spreekt over het klavier als iets vrij “gewoon”. Wellicht kan het geboortejaar van de beiaard dus toch worden gesitueerd rond 1480. Maar bij gebrek aan expliciete oudere bronnen blijft Oudenaarde voorlopig de “canonieke” geboorteplaats van de beiaard.

Zeker wanneer we rekening houden met de vermelding in Van den vos Reynaerde, moeten we veronderstellen dat de ontwikkeling van de beiaard veeleer een geleidelijk proces geweest is, waarbij het volbloed instrument werd voorafgegaan door een aantal overgangsvormen, die nu nog terug te vinden zijn in sommige streken van Scandinavië, Zwitserland, Frankrijk, Spanje en Rusland. Tot in de vorige eeuw werd ook in sommige West-Vlaamse dorpen nog gebeierd met primitef getuig. Ook in de USA bestaat nog een primitieve vorm van musiceren op klokken : bij het chiming worden toetsen die de vorm hebben van hefbomen neergedrukt met de open hand. Het chiming maakt enkel gebruik van diatonische toonreeksen.

Wat is nu de verklaring van het feit dat de beiaard ontstaan is in Vlaanderen en Brabant ? Wellicht moeten we zoeken naar een combinatie van factoren. Vooreerst was er het feit dat onze streek in de late Middeleeuwen het meest verstedelijkte gebied van Europa was. De rijkdom van onze steden en hun onderlinge rivaliteit deed het aantal klokken van de voorslag groeien, totdat een muzikaal gebruik mogelijk werd. Verder is het opvallend dat de ontwikkeling van de beiaard net samenvalt met de grootste muzikake bloeiperiode die ons land ooit heeft gekend, de tijd van de Vlaamse polyfonisten. Het is logisch dat men in een muzikaal stimulerend klimaat sneller op het idee komt om klokken te gebruiken als muziekinstrument dan elders. Of misschien was het gewoon een feit dat de Zuid-Nederlandse klokken gewoon beter klonken, en daarom sneller aanleiding gaven tot muzikaal gebruik dan bijvoorbeeld de Zuid-Europese klokken met hun “bloempotklanken”. Een laatste verklaring is te vinden in de technologische voorsprong die vooral het graafschap Vlaanderen bezat in het toenmalige Europa. Er zijn namelijk wel wat verbanden te leggen tussen de technologie om weefgetouwen te vervaardigen en de beiaardbouw.

  

3. De eerste beiaarden

De oudste beiaarden kwamen vrijwel uitsluitend uit Mechelen. Ze werden gegoten door twee rivaliserende families.

Het geslacht Waghevens (spreek uit Wàghevèns ; soms ook geschreven Waghevents ; vergelijk "Wagemans") telde een tiental gieters die werkzaam waren tussen ca. 1460 en 1575.

Ook het geslacht Vanden Ghein bracht een tiental leden voort die in Mechelen klokken goten vanaf 1506. Na te Mechelen actief geweest te zijn gedurende de zestiende en de zeventiende eeuw werd de Vanden Ghein-gieterij achtereenvolgens verdergezet te Sint-Truiden, Tienen en Leuven. De laatste afstammeling van Willem Vanden Ghein, die zich in 1506 als klokkengieter te Mechelen vestigde, is Jacques Sergeys, die tot 1980 in Leuven als klokkengieter werkzaam is geweest. Aldus is hij de laatste telg van een dynastie die op vijf en een halve eeuw ongeveer dertig klokkengieters voortbracht.  

De eerste beiaarden telden niet meer dan 20 klokken. De meeste waren verbonden met een klavier en een trommelspeelwerk. De toonzuiverheid van deze beiaarden liet nog veel te wensen over.

Van de Zuidelijke Nederlanden waaide de beiaard snel over naar het Noorden. Zo kwam reeds in de 16de eeuw het klassieke “beiaardgebied” tot stand, dat grotendeels overeenkwam met de Zeventien Provinciën.

Tot 1650 was de ontwikkeling van de beiaard vooral kwantitatief : de speeltrommel werd groter en liet toe om door middel van verplaatsbare pinnen verschillende melodieën te programmeren - een van de oudste vormen van digitale informatietechnologie. Rond 1545 werd aan het manuaal ook een pedaal toegevoegd. De toonreeks ging meer en meer chromatische noten (“zwarte toetsen”) bevatten en het aantal klokken steeg in de 17de eeuw tot 30 of iets meer. Voor een sprong voorwaarts in de kwaliteit van de instrumenten moest gewacht worden tot ding van de stemkunst door de gebroeders Hemony (zie verder).

Van de 16de-eeuwse beiaarden zijn er bijzonder weinig bewaard gebleven. De oorzaken van verdwijning waren velerlei : brand, oorlogsgeweld, militaire opeising, verkoop door een ongeïnteresseerde of in geldnood verkerende eigenaar, of gewoonweg vervanging door een nieuw en beter instrument.

In de Sint-Leonarduskerk van Zoutleeuw hangen nog zeven klokken van de beiaard die Medard Waghevens goot in 1530. Bijgevolg kunnen deze klokken beschouwd worden als de oudste nog bestaande beiaard ter wereld.

De oudste nog klinkende beiaarden ter wereld hangen in Zeeland. In de Zuidhavenpoort te Zierikzee hoort men nog een redelijk klinkend automatisch spel van Peter I Vanden Ghein uit 1550-54 en in Arnemuiden hangt een uiterst valse voorslag van Peter II Vanden Ghein uit 1554-1593). De oudste nog handbespeelde beiaard ter wereld hangt in Monnickendam (Peter III Vanden Ghein 1595/96).

Van de beiaardmuziek uit de 16de eeuw is niets bewaard gebleven. Uit archief- en andere teksten weten we echter dat het repertoire grotendeels religieus was, ook dat van de burgerlijke beiaarden.

Pas vanaf ca. 1650 zijn wij voldoende gedocumenteerd om een duidelijk inzicht te hebben in de aard van de beiaarden, de functie van de beiaardier en zijn muziek. Rond dat jaar start de zogenaamde gouden eeuw van de beiaardkunst.