hoofdstuk 1

 De luiklok : het oudste massamedium van Europa  

Men kan de beiaard als muziekinstrument enkel in een juist perspectief te plaatsen indien men ook op de hoogte is van het gebruik van klokken voor niet-muzikale doeleinden. Om niet te ver van ons onderwerp af te dwalen werd de behandeling van de klok in het algemeen samengevat in één hoofdstuk. De lezer moet echter beseffen dat deze beknopte behandeling de rijke geschiedenis van de klok geen eer aandoet.

 1. De behoefte tot communicatie op lange afstand en het gebruik van klokken 

Momenteel leven we in de zogenaamde informatiemaatschappij. Het voorlopig eindpunt, Internet, laat ons toe om informatie snel, goedkoop en nauwkeurig door te sturen over een afstand van duizenden kilometers.  

De behoefte aan communicatie op lange afstand is echter wellicht zo oud als de mens zelf.

Toen de Grieken na 10 jaar belegering Troje veroverd hadden, staken zij een groot vuur aan op de Idaberg, dat achtereenvolgens werd doorgeseind door zeven andere vuren, totdat het bericht het paleis van Klytaimnestra op het Griekse schiereiland bereikte.

Een andere manier om op visuele wijze boodschappen door te seinen zijn de rooksignalen van de indianen, die ons wellicht het bekendst zijn door stripverhalen.  

Bekender zijn de auditieve communicatiemiddelen voor lange afstand. Die moeten de volgende kenmerken bezitten :  
- een hoog volume
- mogelijkheid om boodschappen te differentiëren (ritmisch of qua klankeigenschappen).

Bepaalde blaasinstrumenten beantwoorden aan deze eigenschappen (klaroen, koehoorn...), maar de beste auditieve communicatiemiddelen zijn wel de idiofonen. Bij idiofonen worden de trillingen van een vast lichaam - in tegenstelling tot een snaar of luchtkolom - door de lucht verdergezet. Bekende voorbeelden zijn percussie-instrumenten zoals de tamtam met zijn afgeleiden.

Maar het massacommunicatiemiddel bij uitstek is de Europese luiklok, die ontstond in de vroege Middeleeuwen. Haar materie (brons) waarborgde voldoende klankvolume en duurzaamheid en haar vorm (komvorm) gaf haar een duidelijk waarneembare toonhoogte, waardoor haar klank kon worden onderscheiden van andere klokken. Bovendien kon de klok op verschillende wijzen tot klinken worden gebracht, zodat éénzelfde klok voor meerdere doeleinden kon worden gebruikt (cf. het opschrift : als ik kleppe is’t brand, als ik luide is’t storm ...).

  

2. De klok in oudere culturen

Het gebruik van klokken is veel ouder dan de Middeleeuwen.

Aangezien het onduidelijk is vanaf wanneer een voorwerp “klok” mag genoemd worden, is het niet eenvoudig om het ontstaan van de klok duidelijk te localiseren.  

Een gangbare definitie luidt als volgt : een klok is een rond, schaalvormig lichaam met een symmetrie ten opzichte van een as, gegoten volgens een bepaald profiel in klokkenbrons en bedoeld om een muzikale klank voort te brengen.

Indien we het begrip klok iets ruimer definiëren, constateren we dat in verscheidene oude culturen klokken voorkwamen :

- de oud-Minoïsche cultuur (ca. 2000 v. Chr.)
- Noord-West-Iran (vanaf de 12de eeuw eeuw v. Chr.) 
- de Romeinse cultuur
- de Pre-Columbiaanse culturen

Deze klokken waren meestal klein en hadden een klepeltje of een losse bol. Ze werden vervaardigd uit aardewerk of metaal. Mogelijkerwijze ontstonden ze als imitatie van de granaatappel, waarin de pitten een rammelend geluid voortbrachten.

Ze werden gebruikt in de cultus, als kwaadafwerend middel of als gebruiksvoorwerp.

De oudste voorbeelden van gegoten klokken vinden we in echter in China. Ten laatste vanaf de 15de eeuw voor Christis goten de Chinezen klokken in een bronslegering van 80 % koper, 10 % tin en 10 % lood. Het klassieke type (“chung”) had geen klepel, werd aangeslagen met een houten hamer bracht een doffe, gongachtiige klank voort. De Chinese klokken waren relatief dun en werden rijkelijk versierd. De meeste klokken bevatten twee reeksen van 9 “tepels”.

De Chinese klokken waren cultusinstrumenten en werden ook gebruikt om feesten op te luisteren. Vermoedelijk ligt de oorsprong van deze klokken bij rituele gebruiksvoorwerpen, zoals vazen of inhoudsmaten. Ze waren veel groter dan hun westerse tegenhangers.

In het oude China werden bovendien klokkenspellen vervaardigd. Zo werd in 1978 bij het blootleggen van een graf een klokkenspel gevonden van 65 klokken. Deze klokkenspellen werden bespeeld door meerdere dienaren met lange houten hamers.

  

3. Het ontstaan van de westerse luiklok

Voor de Oostenrijkse historicus Friedrich Heer was het klokkengelui de gemene noemer bij uitstek van de Europese cultuur. Hij noemde de Europese culturele ruimte dan ook Glockeneuropa.

De eerste klokken die worden vernoemd in christelijke context zijn de kleine handbellen die werden gedragen door de eerste monniken en kluizenaars in Egypte. Zo droegen ook de heiligen Antonius en Hiëronymus een klok. Het magisch karakter dat men in de Romeinse oudheid aan klokken toedichtte, werd door de christenen gewoon overgenomen.

Veel overeenkomsten met deze handbel vertoonde ook de keltische handbel, die in Ierland tot ontwikkeling kwam vanaf het ogenblik dat Sint Patrick daar bisschop werd. Het woord klok zou afgeleid zijn van het Keltische clogga, dat “kloppen” betekent. De Keltische klokken werden gesmeed uit plaatijzer.

Het einde van de christenvervolgingen maakte een systematisch gebruik van klokken mogelijk. Toch zou het luiden van klokken slechts algemeen verspreid worden vanaf de 7de eeuw. De oudste vermeldingen vinden we in Frankrijk.

De mythische uitvinder van de luiklok leefde echter in Italië. Het verhaal gaat dat Paulinus, bisschop van Nola (ca. 353-431), op een goede dag in de velden aan het wandelen was en wanhopig op zoek was naar een tastbaar teken van Gods aanwezigheid. Plots begonnen alle bloemen in het veld te rinkelen (“campanula’s”). Daarop vervaardigde Paulinus drie klokken in de vorm van grote bloemen in hing ze op in zijn kerk. De Latijnse termen campana en nola zouden verwijzen naar respectievelijk Campanië en Nola, de streek en de stad waar Paulinus leefde.

Pas vanaf de Karolingische tijd zijn wij voldoende gedocumenteerd over het kerkelijk gebruik van de luiklok. De Capitularia van Karel de Grote hebben het gebruik van de luiklok vermoedelijk sterk bevorderd. Ook het gebruik van de klokwijding was toen al volop in zwang. Als sacraal voorwerp met bijzondere krachten werd een klok plechtig gewijd volgens een vast ritueel, dat tot op de dag van vandaag heeft standgehouden. Uit die tijd dateren ook reeds talrijke verhalen over mirakuleuze klokken. Het volksgebruik maakte van de klokwijding een klokkendoop en de klokken werden geacht niet alleen boze geesten, maar ook donder en bliksem af te weren. Dat laatste geloof heeft tot in de 20ste eeuw standgehouden.  

De klok werd beschouwd als de prediker van het Nieuw Testament. Hierbij stond de houten dwarsbalk voor het kruis, de klok zelf was de prediker of profeet, de klepel was zijn tong en het luidtouw zijn geschrift, dat het kruis met de wereld verbindt.

Tot in de 12de eeuw waren de klokken gegoten door monniken. De klokken uit die tijd zelf zijn haast allemaal verloren gegaan, vermoedelijk doordat brons een duur materiaal was, dat voortdurend werd geconverteerd.

 4. Het hoogtepunt van de westerse luiklok

 “Er was één geluid, dat al het gedruis van het drukke leven steeds weer overstemde, en dat, hoe bont dooreenklinkend, toch nooit verward, alles tijdelijk ophief in een sfeer van orde : de klokken. De klokken waren in het dagelijks leven als waarschuwende goede geesten, die met bekende stem dan rouw, da blijdschap, dan rust, dan onrust kondigden, dan opriepen, dan vermaanden. Men kende hen bij gemeenzame namen : de dikke Jacqueline, klokke Roelant ; men wist de betekenis van klepppen of luiden. Men was ondanks het overmatig klokgelui niet verstompt voor de klank. (...) In de toren van Onze Lieve Vrouwe te Antwerpen hangt nog de oude alarmklok uit 1316, Orida, dat is horrida, de verschrikkelijke genaamd. Welk een ontzaglijke bedwelming moet het zijn geweest, als alle kerken en kloosters van Parijs de klokken van de morgen tot de avond, en zelfs de gehele nacht, omdat er een paus gekozen was, die een einde aan schisma zou maken ...”.

De Antwerpse klok Orida rust intussen weliswaar in het Antwerpse Vleeshuismuseum, maar voor de rest biedt deze passage uit Huizinga’s Herfsttijd der Middeleeuwen  een onovertroffen evocatie van de rol die de luiklok had in de middeleeuwse maatschappij.

De opkomst van de steden deed het wereldlijk gebruik van klokken ontstaan. De klokkengieter werd een veelzijdige vakman die ook kanonnen en gebruiksvoorwerpen goot. In de steden werd hij meestal opgenomen in de smedengilde. De giettechniek evolueerde vrij snel.

Aanvankelijk werd de valse klok gevormd in was op een horizontale spil (“aan het spit”). Deze klokken hadden het zogenaamd bijenkorfmodel.

Vanaf de 12de eeuw werd de valse klok gevormd in leem en kreeg ze het zogenaamd punthoedmodel.

In de eerste helft van de 14de eeuw werd de valse klok gevormd door middel van sjablonen. Deze techniek, die afkomstig was uit de praktijk van het kanongieten, had een positief effect op de klank van de klok en liet toe de klok te vormen op een verticale spil in plaats van “aan het spit”. Meteen konden ook grotere klokken gegoten worden. In dezelfde eeuw ontstond het gotisch profiel, dat de basis vormt voor het huidige klokprofiel.  

De giettechniek evolueerde door ervaring, ging meestal over van vader op zoon en was een risicovolle activiteit. Grotere klokken werden meestal ter plaatse gegoten op het kerkhof. Het gieten was een sacrale gebeuren, tijdens hetwelk meestal het Te Deum werd gezongen.

De grootste gieter van de Middeleeuwen was Geert van Wou (ca. 1450-1527), die werkzaam was in het Nederlandse Kampen. Hij goot zware geluien met basklokken van 8.000 kg en meer, o.m. voor Duitse kerken. Hierdoor lag hij aan de basis van de typische Duitse zware geluien. Zij beroemdste gelui is dat van Utrecht (13 klokken met een totaal gewicht van ca. 30.000 kg). De 11 ton zware Gloriosa die hij in 1497 goot voor de Domkerk te Erfurt wordt door velen beschouwd als de mooiste klok ter wereld. Tot in 1995 was ze de zwaarste klok die ooit in Nederland werd gegoten !

De opkomst van de steden bracht ook het wereldlijk gebruik van klokken mee. De belangrijkste klok was de banklok (“la cloche banale”), die kan worden beschouwd als een Staatsblad avant la lettre. Zij bekrachtigde immers alle openbare verordeningen. Het spreekt dan ook vanzelf dat het bezit van een banklok een belangrijk stedelijk privilege was. Vaak werd ze ook stormklok genoemd, omdat ze de weerbare mannen te wapen kon roepen. In sommige streken werd het rechtsgebied van een stad de klokslag genoemd. Bekende banklokken zijn Roeland in Gent en Orida in Antwerpen.

De tiendeklok werd betaald door de tiendenheffer van een parochie of dorp. Ze had vooral praktisch nut voor de landwerkers.

Klokken werden meestal genoemd naar hun specifieke functie. Een bloemlezing : angelusklok, avondklok, brandklok, dieveklok, doodsklok, drabclocke, joufvrouwenclocke, koopklok, lesteclocke, mistklok, noodklok, papklok, poortkok, ruymstraete, schandeklok, schepenklok, turkenklok, uurklok, vesperklok, werkklok, zandklok.

Vaak had eenzelfde klok meerdere functies. Blijkbaar had de middeleeuwer een uitstekend auditief onderscheidingsvermogen en slaagde hij erin om uit de combinatie van toonhoogte, tijdstip, wijze van aanslaan (kleppen, beieren of luiden) en aantal gebruikte klokken feilloos de correcte boodschap te distilleren.

Net zoals bij de scheepvaart werd het belang van de luiklok weerspiegeld in talrijke spreekwoorden en zegswijzen, waarvan er nog een aantal gangbaar zijn.

In de Nieuwe Tijd verloor het wereldlijk gebruik van de luiklok geleidelijk aan belang, o.m. door de opkomst van het torenuurwerk. In onze tijd is enkel nog het religieus gebruik van luiklokken bekend.

En het is precies het torenuurwerk dat mede aan de oorsprong ligt van de beiaard.